background – Werkgebied
De juiste begeleiding voor uw kind!

Intelligentie onderzoek

WAT IS EEN INTELLIGENTIE ONDERZOEK?
Op deze vraag is geen simpel antwoord te geven. Er bestaan veel definities van het begrip “intelligentie”. Volgens een bekende omschrijving is intelligentie het vermogen van een individu om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving te kunnen omgaan. Intelligentie zegt iets over hoe goed het een kind lukt zich aan te passen aan verschillende situaties en over vaardigheden beschikt die daarin van hem verwacht worden. Het zegt iets over het gemak waarmee wij de wereld om ons heen begrijpen. Intelligentie heeft betrekking op de vaardigheid waarmee we de informatie uit onze omgeving kunnen verwerken en daar vervolgens betekenis aan kunnen geven door erover na te denken. Intelligentie is een belangrijke (maar niet de enige) voorspeller van schoolprestaties. Een intelligentietest bestaat uit vragen en opdrachten. Deze meten zowel aangeleerde kennis als begrip, inzicht en probleemoplossende vaardigheden. Bij intelligentieonderzoek wordt naar veel verschillende aspecten van het functioneren gekeken. Het geeft een beeld van de sterke kanten van uw kind en laat ook zien met welke vaardigheden uw kind meer moeite heeft. De WISC III is de meest gebruikte intelligentietest in Nederland en veel andere landen. Deze intelligentietest is bedoeld voor kinderen van 6 t/m 16 jaar.
De WISC−III bestaat uit 13 subtests (taken, opdrachten) dieverschillende vaardigheden meten. Globaal kan gezegd worden dat een deel van de subtests meer een beroep doet op vaardigheden die met taal te maken hebben (verbale taken), terwijl andere subtests meer handelingsgerichte opdrachten betreffen (doe−taken), waarbij onder meer ruimtelijk inzicht en motoriek een rol spelen (performale taken). Bij een aantal performale taken wordt de tijd opgenomen. Dan is niet alleen belangrijk dat de kwaliteit van een prestatie goed is, maar ook hoe lang een kind erover doet om tot dit resultaat te komen. Op alle subtests zijn de opgaven oplopend in moeilijkheidsgraad. Er wordt gekeken tot welk niveau het een kind lukt mee te komen en wanneer het te moeilijk wordt.

DE SUBTESTS VAN DE WISC−III
1 Onvolledige Tekeningen (OT): het kind bekijkt gekleurde plaatjes van alledaagse voorwerpen en situaties waaraan een belangrijk onderdeel ontbreekt. Het kind moet ontdekken wat er ontbreekt.
2 Informatie (IN): er worden vragen gesteld waarmee gekeken wordt naar de algemene kennis van het kind over gebeurtenissen, dingen, plaatsen en mensen.
3 Substitutie (SU): het kind krijgt een blad met eenvoudige figuren (6−7 jaar) of getallen (8−16 jaar). Bij die figuren/getallen hoort een bepaald teken. Bovenaan het blad staat welk teken bij ieder figuur/getal hoort. Binnen een korte tijd moet het kind proberen zo veel mogelijk goede tekens in te vullen.
4 Overeenkomsten (OV): het kind hoort twee woorden die alledaagse dingen of begrippen weergeven. Het kind moet de overeenkomst(en) tussen beide woorden aangeven.
5 Plaatjes Ordenen (PO): bij dit onderdeel worden gekleurde plaatjes in een willekeurige volgorde aangeboden. Het kind moet de kaartjes in een goede volgorde leggen zodat er een logisch verhaal ontstaat.
6 Rekenen (RE): bij deze subtest lost het kind rekenopgaven uit het hoofd op. Het kind mag geen papier gebruiken en moet mondeling het antwoord geven. Het gaat hier om zogenaamde “redactiesommen” (het kind krijgt een kort verhaaltje waaruit het zelf de som moet afleiden, bijvoorbeeld: “Thomas had 8 knikkers en verloor er 3.” ) en niet om “technisch rekenen” (daarbij is sprake van een “droge” som zoals “8 − 3 = .. . “).
7 Blokpatronen (BP): het kind krijgt gekleurde blokjes waarmee het van een voorbeeld bepaalde geometrische patronen moet naleggen.
8 Woordkennis (WO): het kind krijgt allerlei woorden te horen en moet omschrijven wat elk woord betekent. Er wordt gekeken hoe de woordenschat (“vocabulaire”) is ontwikkeld.
9 Figuur Leggen (FL): het kind krijgt stukjes van een legpuzzel. De stukjes moeten goed tegen elkaar worden aangelegd, zodat het figuur klopt.
10 Begrijpen (BG): het kind krijgt allerlei vragen waarbij uit het antwoord moet blijken of het in staat is alledaagse problemen op te lossen en het sociale regels en begrippen snapt.
11 Symbolen Vergelijken (SV): het kind krijgt een blad voor zich met groepjes figuren. De opdracht is om zo goed en zo snel mogelijk te kijken of er in het groepje figuren een figuur staat dat precies hetzelfde is als het voorbeeldfiguur ernaast.
12 Cijferreeksen (CR): de onderzoeker noemt een reeks getallen. Het kind moet deze in dezelfde volgorde, en later in omgekeerde volgorde, nazeggen.
13 Doolhoven (DH): het kind krijgt een aantal doolhoven op papier waarbij het met een potlood de juiste weg naar buiten moet zien te vinden.

SUBTEST SCORE EN IQ
Op iedere subtest van de WISC−III behaalt een kind een “subtest score” (soms noemen onderzoekers dit ook wel een “normscore” of “standaardscore”) . Deze kan variëren van 1 t/m 19 (hoe beter de prestatie, des te hoger de score). Het exacte gemiddelde is 10, wat betekent dat de meeste kinderen van dezelfde leeftijd als uw kind (hooguit enkele maanden verschil) een score behalen in de buurt van 10 punten. IQ´s zijn losse getallen. Dat suggereert een mate van exactheid die eigenlijk niet helemaal juist is. Want afhankelijk van omstandigheden van de dag kan de prestatie best een paar punten verschillen. Ieder instrument heeft bovendien een zogenaamde “meetfout”, geen enkele test is 100% betrouwbaar. Daarom worden alle IQ’s in het rapport voorzien van een zogenaamd “95% betrouwbaarheidsinterval” (een marge). Stel dat er in het rapport staat dat het totaal IQ 97 bedraagt met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 90−104, dan betekent dit dat het gemeten “dag−IQ” van 97 een schatting is en met 95% zekerheid gezegd mag worden dat de capaciteiten van dit kind zich daadwerkelijk tussen de 90 en 104 bevinden. Uitgaan van een 95%−betrouwbaarheidsinterval betekent dat de kans dat de meting ernaast zit, dus maar 1 op 20 (5%) is. Soms worden in rapporten naast IQ’s ook “percentielscores” genoemd. Een percentielscore is een getal tussen de 0 en 100 dat laat zien hoeveel procent van de leeftijdgenoten een lagere IQ−score behaalde dan uw kind. Een percentielscore van 40 betekent bijvoorbeeld dat het kind beter heeft gepresteerd dan ongeveer 40% van zijn leeftijdgenoten. Hieruit is af te leiden dat ongeveer 60% van de leeftijdgenoten een hogere score behaalde (want 100% − 40% = 60%). Net als bij IQ’s geldt ook bij percentielscores: een betere prestatie leidt tot een hogere score. IQ−getallen krijgen vaak pas betekenis als je hierin andere factoren meeneemt zoals de omstandigheden rondom testafname, de observaties tijdens het onderzoek, schoolresultaten, stemming, medicatie, middelengebruik, etc.

Leren op maat

Leren op maat

Door de individuele benadering worden er meer mogelijkheden gecreëerd om aan de hulpvraag van een kind te voldoen.

Werkgebied

Dyslexie
Dyscalculie
Dysorthografie
Faalangst
Hoogbegaafdheid
Intelligentieonderzoek
Voortgezet onderwijs

Copyright

ontworpen door WvH Creative