background – Werkgebied
De juiste begeleiding voor uw kind!

Dysorthografie

WAT IS DYSORTHOGRAFIE?
We noemen kinderen dysorthografisch als er sprake is van ernstige spellingsproblemen. Dit ondanks het feit, dat ze potentieel bekwaam zijn om te leren spellen (geen overheersende zintuiglijke- en spraakproblemen). En ondanks het feit dat er een goede kwaliteit van onderwijs is geweest en geen opvallend schoolverzuim.
Gaan de spellingsproblemen echter samen met ernstige leesmoeilijkheden, dan spreekt men toch van dyslexie. Betreft het zuiver de spelling en gaat het lezen goed, dan spreekt men van dysorthografie. Binnen de spelling moet het taalaspect centraal staan en niet de schrijfmotorische component. Intelligentie is niet de bepalende factor. Er zijn intelligente kinderen met een lage spellingsvaardigheid en minder intelligente kinderen die goed kunnen spellen. Dysorthografische kinderen maken beduidend meer fouten dan niet-dysorthografische kinderen. En hun foutenverdeling is ook vaak anders. Hun spelfouten bestaan veel vaker uit:
» weglating van essentiële letters
» toevoeging van letters of vervanging van letters door willekeurige andere letters (reis=rei, poes=poest, knop=kjop)
» onherkenbare verminking van woorden (begint=degiengt, spinnen=sing).

Relatief minder vaak maken zij fouten tegen `d´ of `t´ aan het einde van een zelfstandig naamwoord of een werkwoordsvorm (land/lant, begint/begind) of tegen in klank overeenkomende medeklinkers. Ook worden ‘tweeklanken’ relatief minder vaak verwisseld (mouw/mauw, zij/zei, licht/ligt). Er zijn geen aanwijzingen dat fouten, die nogal eens als kenmerkende fouten worden beschouwd (peer/beer, duif/diuf, biep/diep), ook inderdaad vaker voorkomen. Extreem slechte spellers lijken dezelfde fouten te maken als jongere spellers (die ook zwak in lezen zijn) op hetzelfde niveau van spellingsvaardigheid. Belangrijkste kenmerk blijft toch het enorme aantal fouten, dat gemaakt wordt en niet zo zeer het soort fouten. Er zijn drie soorten dysorthografische kinderen:
» Dysfonetische kind (moeite met de spraakklanken). Dit kind heeft zwakke fonologische vaardigheden. Maakt gebruik van een globaal visueel beeld en maakt veel fonologische fouten. Als je de grafemen van het fout gespelde woord uitspreekt, kan je het bedoelde woord er niet uithalen. Deze kinderen worden kinderen met een ontwikkelingsdysorthografie genoemd. Het betreft vaak de jonge kinderen, die met de basale (fonologische) regels van de spelling moeilijkheden hebben.
» Dyseidetische kind (moeite met het visuele gebied). Dit kind heeft moeite met hoe het woord eruit ziet en beschikt wel over goede fonologische vaardigheden. Hij schrijft fonetisch. Hier gaat het dan om de wat oudere kinderen, die problemen hebben met spellingsregels die pas aan de orde komen als de basis gelegd is.
» Gemengd dysorthografische kinderen. Zij zijn zowel visueel als fonologisch zwak en daardoor het meest in het nadeel.

De primaire kenmerken van dysorthografie
Dysorthografie wordt vastgesteld aan de hand van de volgende criteria:
» er is sprake van een duidelijke achterstand met spelling t.o.v. de leeftijdsnorm (vastgesteld via een gestandaardiseerde toets)
» er is sprake van een discrepantie tussen het algemene niveau waarop het kind functioneert en het niveau van de spellingsprestaties
» er is sprake van een taakverwant contrast: bij leestaken wordt significant beter gepresteerd het gaat om fonologische tekorten (bij dysorthografie in het aanvankelijk spellen) en/of om visuele tekorten (bij dysorthografie in het voortgezet spellen)

Mogelijke oorzaken van dysorthografie:
Hiervoor moeten we teruggaan naar het leren spellen, naar het spellingsproces zelf. De hoofdfuncties van het spellen zijn: de auditieve analyse de visuele discriminatie het woordbeeld de schrijfmotoriek het opschrijven van woorden De ondersteunende functies zijn:
» auditieve volgorde
» auditieve discriminatie
» van links naar rechts kunnen werken
» de klank-tekenkoppeling
» het korte termijn geheugen
» het verlenen van betekenis

De auditieve en visuele functies verwerken de waarnemingen door de informatie te vergelijken op overeenkomsten en verschillen. Daarna worden de gegevens omgezet in een andere taalvorm: van gesproken naar geschreven taal. Het spellingsproces is in de volgende fasen te onderscheiden:
» een woord wordt uitgesproken en komt binnen via het gehoororgaan
» selectieve aandacht is nodig om onderscheid te maken tussen spraakklanken en andere geluiden. Relevant geachte informatie gaat naar het korte termijn geheugen om de gegevens gedurende de verwerkingstijd vast te houden en tegen andere invloeden te weren
» aan het klankbeeld wordt betekenis verleend vanuit het interne woordenboek dat in het lange termijn geheugen zit (kennis over de samenstelling en de betekenis van het woord)
» het woord wordt geanalyseerd in letterklanken, klankgroepen of lettergrepen. Hiervoor moet je afzonderlijke klanken kunnen onderscheiden en in volgorde kunnen vasthouden en moet je kleine belangrijke verschillen kunnen horen
» aan de onderscheiden spraakklanken worden schrijftekens gekoppeld. Deze tekens liggen opgeslagen in het lange termijn geheugen. Vormverschillen tussen letters en lettergroepen moeten onderscheiden kunnen worden, terwijl niet relevante verschillen overgeslagen moeten worden
» de schrijftekens worden samengevoegd tot een herkenbaar innerlijk woordschriftbeeld. Het schriftbeeld wordt vergeleken met de gegevens uit het visuele woordbeeldgeheugen
» na beoordeling op grond van spellingsregels wordt het woordbeeld op schrift gesteld. Hiervoor is kennis van de schrijfrichting, van de volgorde van de letters in de tijd noodzakelijk (links, vooraan, eerste). Hierdoor ontstaat een “schrijfplan”
» de schrijfmotorische handelingen volgen
eindbeoordeling waarbij gekeken wordt of het schriftbeeld overeenkomt met het oorspronkelijke klankbeeld. Het korte termijn geheugen is ontheven van zijn taak.
» de leerervaringen worden opgeslagen in het lange termijn geheugen voor hergebruik in vergelijkbare situaties

Dysorthografische kinderen hanteren deze uitgebreide werkwijze (doorlopen alle fasen) als ze geen fouten willen maken bij het schrijven. Ervaren spellers gaan uit van grotere woordstructuren of hebben het woord geautomatiseerd. In elke fase kan zich een probleem voordoen. De spellingsproblemen kunnen veroorzaakt worden door:
» problemen in het korte termijn geheugen / het werkgeheugen: bij het inprenten, doorgeleiden en oproepen van informatie
» problemen in het lange termijn geheugen waarbij bij soortgelijke woorden een beroep gedaan kan worden op een strategie die in het verleden effectief was
» problemen bij de fonologische processen, zoals auditieve analyse, discriminatie en sequentieel geheugen
» problemen in de visuele processen, zoals visuele discriminatie en het opbouwen van schriftbeelden
» problemen bij de klank-tekenkoppelingen: het omzetten van klanken in tekens
» problemen in de sensomotorische handelingen: het omzetten van het visuele beeld in het schrijfmotorische beeld
» problemen in het hebben en kunnen hanteren van begrippen (betekenis kunnen geven) en het beschikken over kennis van zinssamenstellingen
» problemen met de selectieve aandacht, taakgerichtheid

SPELLINGSPRINCIPES
De spellingsleerstof biedt ook aanknopingspunten om er achter te komen hoe spellingsproblemen veroorzaakt worden. Deze leerstof is opgebouwd uit woorden die opklimmen in moeilijkheid. Er zijn verschillende principes binnen de spelling:
Het fonologische principe:
De eerste hoofdregel van spelling is dat je het woord schrijft zoals je het hoort. Het is de auditieve benadering die vooral in het aanvankelijk spellen een rol speelt. Het spellende schrijven gebruiken we ook bij onbekende woorden. Een probleem vormen de ‘bijna-klankzuivere woorden’ (kalf, beer, mooi enz.). Spraak, auditieve processen en het onderscheid kunnen maken tussen klankzuivere en bijna-klankzuivere woorden zijn hier van belang en kunnen de oorzaak van de spellingsproblemen zijn.
Het morfologische principe:
De tweede hoofdregel van de spelling is de vormovereenkomst of gelijkvormigheid in de schrijfvorm van de woorden. Het gaat om de regels van de gelijkvormigheid (handdoek vanwege hand en doek, vind van vinden, goed en goede) en van de overeenkomst (dorpsstraat naast dorpsplein, vindt naast zingt, grootte naast hoogte). Hiervoor is het nodig dat je de onderliggende basisvorm van vergelijkbare woorden moet kunnen herkennen, dat je weet hoe woorden zijn samengesteld. Het gaat om het kunnen opzetten van analogie-redeneringen die opgeslagen moeten worden in het lange termijn geheugen. Oorzaken van spellingsproblemen kunnen dan liggen in het niet kunnen maken van vergelijkingen en het niet zien van overeenkomsten. Of het is een probleem dat deze redeneringen steeds opnieuw opgezet moeten worden en niet uit het geheugen opgediept kunnen worden.
Het etymologische principe:
De derde en laatste hoofdregel is het principe van etymologie. Hierbij wordt rekening gehouden met de historische ontwikkeling van het woord. Dit is o.a. het geval bij ei/ij, au/ou woorden of de uitgang −isch. Ook zijn er leenwoorden, overgenomen uit de andere talen. Deze schriftbeelden (de weetwoorden) moeten mechanisch ingeprent worden. Dit vereist een goed visueel geheugen.
Het semantisch en syntactisch principe:
Soms is de kennis en betekenis van het woord noodzakelijk om het woord goed te kunnen schrijven (ligt of licht, de werkwoordsvormen, domoor). Dit vereist een goede woordenschat en een goede grammaticale kennis.

SPELLINGSREGELS
Naast de hoofdprincipes zijn er spellingsregels van kracht, omdat er minder letters beschikbaar zijn dan er klanken zijn. De letter “e” duidt meerdere klanken aan en er zijn regels voor de open en gesloten lettergreep (de regelwoorden). Hiervoor is een regelstrategie nodig om het geheugen te ondersteunen. Problemen kunnen voortkomen uit het niet beschikbaar hebben van de regels of een onvoldoende inzicht in het wanneer toepassen.
Samengevat vereisen de (bijna-) klankzuivere woorden of luisterwoorden een spellende strategie (berustend op auditieve waarneming en schrijfmotorische patronen). De woorden van het morfologische principe of de analogiewoorden vereisen een strategie naar analogie van het voorbeeldwoord. De woorden van het etymologische principe of de weetwoorden vereisen een strategie van het visueel inprenten van het woordbeeld. De woorden die gebaseerd zijn op regels vereisen het kunnen toepassen van spellingsregels. Een woord kan een bepaalde strategie vereisen, maar het moet ook nog geautomatiseerd worden. Het kan ook zijn dat er binnen een woord verschillende strategieën nodig zijn. Een strategie die een specifiek beroep doet op een of meerdere functies, de koppeling tussen het woord met zijn strategie, het snel tot je beschikking hebben van de strategieën en het woord opdelen in stukken die elk hun strategie behoeven: ook hier liggen de oorzaken van spellingsproblemen. FAALANGST
WAT IS FAALANGST?
Soorten faalangst:
Negatieve faalangst
Er is sprake van negatieve faalangst, wanneer de prestaties steeds minder zijn dan wordt verwacht. Een kind met negatieve faalangst vult zijn gedachten met allemaal negatieve zaken voor of tijdens het presteren. Het gevolg is dat het kind minder alert wordt op zijn taak en fouten gaat maken en zijn angst bij de volgende prestatie weer vergroot wordt.
Positieve faalangst
Een kind met positieve faalangst vult zijn gedachten ook met allemaal negatieve zaken voor het presteren, maar tijdens het presteren ontstaan er ook positieve gedachten en die hebben betrekking op de huidige taak.

KENMERK OF UITINGEN VAN FAALANGST
» Gebrek aan zelfvertrouwen
» Negatieve attributies
» Gespannen luisterhouding
» Moeilijkheden om aan een taak te beginnen
» In paniek raken
» Na schooltijd nog werk af willen maken
» Stelt veel vragen
» Klapt dicht bij overhoring of beurt
» Aansporingen worden als extra druk ervaren
» Elke fout wordt als een persoonlijke nederlaag gezien

Faalangst kunnen we indelen in cognitieve-, sociale- en motorische faalangst. Ook kunnen er combinaties voorkomen. Bij cognitieve faalangst uit zich de angst en stagnatie op leergebieden zoals rekenen, wiskunde, taal etc. Bij sociale faalangst op gebieden waar sociale interactie plaatsvindt. Motorische faalangst heeft te maken met een beklemmende angst voor bepaalde motorische handelingen. Het niet durven maken van een koprol.

Leren op maat

Leren op maat

Door de individuele benadering worden er meer mogelijkheden gecreëerd om aan de hulpvraag van een kind te voldoen.

Werkgebied

Dyslexie
Dyscalculie
Dysorthografie
Faalangst
Hoogbegaafdheid
Intelligentieonderzoek
Voortgezet onderwijs

Copyright

ontworpen door WvH Creative