background – Werkgebied
De juiste begeleiding voor uw kind!

Dyslexie

WAT IS DYSLEXIE?
Bij dyslexie gaat het om ernstige tekorten in het verwerven van de technische vaardigheid van het lezen en spellen. Voordat we overgaan naar de definitie van dyslexie met daarbij de primaire kenmerken, volgt hier eerst een stukje historie.
De term dyslexie werd al in 1887 voor het eerst door de neuroloog Berlin gebruikt om er ernstige lees- en spellingsproblemen mee aan te geven, terwijl later (1895) de term woordblindheid door de oogarts (Hinshelwood) werd gehanteerd. Recentere definities volgden, waarvan we die van Dumont (1990) en van de Gezondheidsraad (1995) er uit pakken.
Dumont legde zeven criteria aan waaraan voldaan moest zijn, wilde men spreken van dyslexie. Het ging om normaliteit (normale totale intelligentie), specificiteit (alleen in lezen/taal), discrepantie (onverwacht groot verschil tussen de verwachtingen en de leesspellingsprestaties), exclusiviteit (op zichzelf staand, los van andere handicaps), oorzakelijkheid (erfelijke aanleg, dyslexie in de familie), disharmonisch intelligentieprofiel (verbaal zwakker dan performaal) en taalontwikkeling (vertraagde taalontwikkeling). In de praktijk bleek deze definitie problemen op te leveren: b.v. als dyslexie samengaat met rekenproblemen (niet voldoen aan criterium “specificiteit”), als er hyperactiviteit bijkomt (niet voldoen aan criterium “exclusiviteit”), als het gaat om minder begaafde kinderen (niet voldoen aan criterium “normaliteit”).
De Gezondheidsraad komt in 1995 tot een heel ruime definitie, volledig op het niveau van de waarneembare verschijnselen, volstrekt op de taak lezen gericht, zonder dat er verklaringen of oorzaken aangegeven hoeven te worden. Deze raad spreekt van dyslexie wanneer de automatisering van woordidentificatie (lezen) en/of van schriftbeeldvorming (spelling) zich niet dan wel zeer onvolledig of zeer moeizaam ontwikkelt. Twee criteria worden hier aangegeven: hardnekkigheid (extra aantoonbare, intensieve en planmatige inspanningen gedurende minimaal een half jaar, die niet leiden tot een vergelijkbare ontwikkeling van de normgroep) en leerrendement ( hierbij gaat het om de achterstand: het leerrendement is minder dan 50%).
Van der Ley (1998) geeft aan, dat het om méér gaat dan de waarneembare verschijnselen, dat het meer is dan een hardnekkig decodeer− probleem. Zijn model wordt algemeen in wetenschappelijk Nederland aanvaard en vormt nu het uitgangspunt bij onderzoek en behandeling van dyslexie.
Zijn definitie luidt:
“Dyslexie is een hardnekkig, taakspecifiek automatiseringstekort in het (sub−) lexicaal decoderen en in de spelling. Dit gaat gepaard met een contrast met de verbale vaardigheid, een (groot) verschil met de algemene taalontwikkeling. Hoe groter het contrast, des te ernstiger de dyslexie”.
Onder lexicaal verstaat men het lezen van losse woorden; sublexicaal is het lezen van woorddelen. Taakspecifiek betekent “bij het lezen”. Decoderen is ontsleutelen, omzetten van letters in klanken, van lettergroepen in klankgroepen, van geschreven woorden in gesproken woorden.

WAT HOUDT DEZE DEFINITIE IN?
Op de eerste plaats gaat het ook bij Van der Ley om het automatiseringstekort in het lezen van woorden en in de spelling, net zoals in de definitie van de Gezondheidsraad: een zeer moeizame en onvolledige ontsleuteling van woorden. Maar omdat dyslexie gezien wordt als een aangeboren ontwikkelingsstoornis en omdat dyslexie beschreven wordt in DSM IV( het classificatiesysteem voor psychiatrische stoornissen), moet de definitie meer inhouden dan alleen “ernstig en hardnekkig”, en meer dan alleen de uiterlijke kenmerken zoals het lezen dat niet goed verloopt.
Van der Ley geeft aan dat er meerdere en diverse verklaringen voor dyslexie zijn die zich bevinden op biologisch niveau en op cognitief niveau.
Op biologisch niveau gaat het om structurele tekorten in het functioneren van de hersenen, om een genetische aanleg (75%), en om “verworven” tekorten (tijdens de geboorte, ongeluk). Het is in ieder geval een stoornis: het gaat niet over of weg, het blijft altijd aanwezig (de structuur van de intelligentie blijft ook jaren later dezelfde).
Op cognitief niveau betreft het:
» een geringe instructiegevoeligheid voor het decoderen: instructie helpt te weinig, is niet effectief, andere instructie werkt ook niet, waardoor de leerbaarheid gering is
» een trage toegankelijkheid van kennis: datgene wat het kind weet, komt niet snel naar boven b.v. woordvindingsproblemen
» automatiseringsmoeilijkheden, die zich bij allerlei taken voor kunnen doen
» tekorten in de fonologische vaardigheden: klanken worden minder snel onderkend en onderscheiden (zit de aa wel of niet in raam-pak enz.).
Kenmerkend in zijn omschrijving van dyslexie is: mondeling gaat het goed, maar komt het op papier dan zijn er ernstige moeilijkheden. Dus het gaat om het verschil mondelinge taal − schriftelijke taal, dat ook de ernst van de dyslexie bepaalt. Zowel de mondelinge taal als de schriftelijke taal kunnen in A−B−C−D−E − normen uitgedrukt worden. Dit zijn CITO−normen, zoals die onder andere gebruikt worden bij de DrieMinutenTest (DMT). A is goed tot zeer goed (beste 25%), B is gemiddeld tot goed (volgende 25%), C is zwak tot gemiddeld (volgende 25%) , D is zwak (volgende 15%) en E is zeer zwak (laagste 10%). Het verschil in de score van de mondelinge taal en die van de schriftelijke taal geeft de mate van dyslexie aan: A (bij test voor mondelinge taal) en E (bij test voor schriftelijke taal) is “zeer ernstig”, A − D en B − E is “ernstig” en C−E en B−D zijn matig. “Licht” wordt het verschil C-D en D-E genoemd, maar je zit dan wel op de grens of dit nog wel dyslexie genoemd mag worden. Het moet dan samengaan met spellingsproblemen en goede rekenprestaties.
Het omgekeerde verschil ( taal zwak-technisch lezen goed) wordt hyperlexie genoemd en uit zich vooral in problemen in het begrijpend lezen.
Ook kunnen mondelinge taal, begrijpend lezen en het technisch lezen alle drie zwak zijn: dit zijn de algemene leesproblemen.
Stichting Dyslexie Nederland geeft in juli 2000 in hun brochure de volgende definitie: “Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door hardnekkige problemen in de automatisering van de woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming (spellen)”.
De prognose wordt niet alleen bepaald door de ernst, maar ook door de mate van de belemmerende factoren en zeker ook door de talenten (werkhouding, visueel-ruimtelijke aanleg, intelligentie, zelfvertrouwen).
Er worden verschillende soorten dyslexie beschreven. Wetenschappelijk is er alleen de neuropsychologische insteek (Bakker). Hier worden twee vormen van dyslexie onderscheiden.De P-lezer (het perceptueel type) en de L-lezer (het linguaal type). In het eerste geval bemoeit de rechterhemisfeer zich teveel met lezen, waardoor een trage, vrij nauwkeurige leesstrategie ontstaat (de spellers).
In het tweede geval neemt de linkerhemisfeer te vroeg of teveel het heft over en ontstaat een snelle en radende strategie (de raders). In de praktijk zien we echter vaak een “mengtype”. Het is dan moeilijk te bepalen of het een speller of een rader is. (En het is dan moeilijk om aan te geven welke behandeling noodzakelijk is).
Je hebt P-type kinderen, die al zo lang spellend lezen en al zo lang extra oefeningen gehad hebben), dat ze meer gebruik zijn gaan maken van de context en vooruit gaan lopen op wat er staat. Ze zijn dan geneigd, om maar het tempo van andere kinderen te kunnen volgen, om té snel te lezen, fouten te maken en zo een radende lezer te worden.

DE PRIMAIRE KENMERKEN VAN DYSLEXIE:
Dyslexie kan vastgesteld worden aan de hand van de volgende criteria:
» Er is sprake van een duidelijke achterstand bij het technisch lezen van woorden t.o.v. de leeftijdsnorm: voor ernstige dyslexie ligt het leerrendement op of onder de 50%
» Er is sprake van een discrepantie tussen de verbale vaardigheden en de leesspellingsprestaties
» Er is sprake van een taakverwant contrast: Bij begrijpend lezen (zonder tijdsdruk) of begrijpend luisteren (als het gaat om ernstige dyslexie) en inzichtelijk rekenen wordt significant beter gepresteerd
» Er is sprake van hardnekkigheid: Ondanks intensieve en gerichte hulp blijven de problemen aanwezig
» Er zijn automatiseringsproblemen
» Er is een trage toegankelijkheid van kennis
» Er is sprake van een geringe instructiegevoeligheid
» De fonologische vaardigheden zijn slecht ontwikkeld

MOGELIJKE OORZAKEN VAN DYSLEXIE:
Er zijn diverse theorieën over de oorzaken van dyslexie. Huidig wetenschappelijk onderzoek geeft aan dat voor 70-75% dyslexie genetisch is en voor de overige 25-30% verworven of niet echt duidelijk is.
Het staat vast, dat er in de meeste gevallen een biologische en genetische basis voor dyslexie is. Het komt in bepaalde families duidelijk meer voor. Een kind in een dyslectische familie heeft ongeveer veertig tot vijftig procent kans om dyslectisch te worden. De genen die betrokken zijn bij dyslexie blijken niet altijd verbonden te zijn met dezelfde lokaliteit (de plek in de hersenen). Dit hangt samen met het feit dat er verschillende soorten dyslexie zijn. We spreken van ontwikkelingsdyslexie als er een genetische of biologische basis is, als het aangeboren is. Dyslectici blijken hersenen te hebben die er anders uitzien dan die van niet-dyslectici. De vorm en de grootte van de linkerhemisfeer en het corpus callosum (het schakelstation tussen linker en rechter hemisfeer) zijn bij hen anders.
Verworven dyslexie ontstaat als gevolg van hersenbeschadigingen waardoor vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor lezen en spellen, aangetast werden. Dit kan veroorzaakt worden door zuurstoftekort bij de geboorte. Het kan ook veroorzaakt worden door een ongeluk.

Leren op maat

Leren op maat

Door de individuele benadering worden er meer mogelijkheden gecreëerd om aan de hulpvraag van een kind te voldoen.

Werkgebied

Dyslexie
Dyscalculie
Dysorthografie
Faalangst
Hoogbegaafdheid
Intelligentieonderzoek
Voortgezet onderwijs

Copyright

ontworpen door WvH Creative